Inleiding
In de huidige mondiale economie tekenen zich opvallende tegenstellingen af tussen de manier waarop armere bevolkingsgroepen en grote bedrijven worden behandeld. Arme mensen leven veelal onder de harde voorwaarden van een kapitalistisch systeem – geconfronteerd met marktdwang, loonarbeid, minimale sociale vangnetten en een verregaande individualisering van risico’s. Tegelijkertijd opereren de rijkste bedrijven en corporaties in de praktijk onder een vorm van “economisch socialisme”: zij kunnen vaak rekenen op overheidsingrijpen en steun wanneer zij in de problemen komen. Deze paradox wordt vaak samengevat als “privatizing profits and socializing losses” – het privatiseren van winsten en socialiseren van verliezen . In de volksmond spreekt men ook wel van “socialisme voor de rijken, kapitalisme voor de armen”, waarmee wordt bedoeld dat de elite bescherming en steun krijgt, terwijl de gewone bevolking wordt blootgesteld aan de volle scherpe kant van de vrije markt .
Dit artikel onderzoekt dit wereldwijde economische patroon en belicht hoe het tot uiting komt in verschillende contexten. We bekijken onder meer de financiële crisis van 2008 en de daaropvolgende bailouts van banken, de coronasteunpakketten tijdens de pandemie, staatsgesubsidieerde sectoren (zoals fossiele brandstoffen en luchtvaart) en belastingvoordelen voor grote bedrijven. Ook bespreken we hoe risico’s asymmetrisch worden verdeeld tussen arm en rijk. Met voorbeelden uit de VS, de EU, het mondiale Zuiden en internationale instellingen (IMF, Wereldbank) laten we zien hoe dit systeem structureel ongelijkheid in stand houdt of vergroot. Ten slotte belichten we enkele uitzonderingen en alternatieve modellen – van de sociale vangnetten in de Noordse landen tot post-neoliberale experimenten in Latijns-Amerika – die een ander pad bewandelen.
Kapitalisme voor de armen: marktdwang en risico’s voor individuen
Voor de armere bevolkingsgroepen betekent het hedendaagse kapitalisme leven onder voortdurende marktdruk. Marktdwang houdt in dat mensen worden gedwongen te concurreren op een vrije markt voor banen, lonen en basisvoorzieningen, zonder veel bescherming. De meeste arme en werkende mensen zijn afhankelijk van loonarbeid om te overleven; zij verkopen hun arbeid op een vaak precair gevormde arbeidsmarkt. Door deregulering en flexibilisering van arbeid is werk vaak onzeker en tijdelijk, terwijl collectieve onderhandelingsmacht (bijvoorbeeld via vakbonden) is afgenomen. Het resultaat is een zwakke positie van arbeiders en lagere lonen, vooral in de neoliberale periode .
Tegelijk is er doorgaans een gebrek aan sociale vangnetten. In veel landen (met name in de VS en ontwikkelingslanden) hebben mensen geen gegarandeerde toegang tot zaken als gezondheidszorg, betaalbare huisvesting of werkloosheidsuitkeringen. Beleidskeuzes onder invloed van neoliberale ideologie hebben geleid tot het terugschroeven van overheidsvoorzieningen en publieke diensten . Zo werden in ontwikkelingslanden onder zogeheten structurele aanpassingsprogramma’s van het IMF publieke diensten geprivatiseerd (bijv. onderwijs, gezondheidszorg) en sociale uitgaven drastisch gekort . Dit dwingt arme gemeenschappen om zelf te betalen voor basisbehoeften of er helemaal van af te zien. Het ontbreken van een degelijk sociaal vangnet betekent dat individuen zelf alle risico’s dragen: ziektekosten, werkloosheid, ouderdom en andere tegenslagen komen voor eigen rekening.
Deze individualisering van risico treft vooral de lagere inkomensgroepen. Beleidsmatig is er een trend geweest om risico’s die vroeger collectief werden gedeeld, te verschuiven naar het individu. Voorbeelden zijn de overgang van gegarandeerde pensioenuitkeringen naar persoonlijke pensioenpotjes, en de flexibilisering van arbeidscontracten waardoor inkomens onzeker zijn. In ontwikkelingslanden vertaalt dit zich in informele arbeid zonder bescherming: mensen werken zonder contract of sociale zekerheid, met het constante risico van verlies van inkomen. Het IMF en de Wereldbank hebben in het verleden actief aangedrongen op het “ontmantelen van de staat” in arme landen – privatisering, deregulering en liberalisering – met als gevolg dat de bevolking nauwelijks op overheidshulp kan terugvallen . Men verwacht dat de vrije markt groei en welzijn zal brengen, maar in de praktijk leidt dit voor de armsten vaak tot grotere onzekerheid en kwetsbaarheid. Zoals de econoom Jason Hickel opmerkt, komt het erop neer dat in ontwikkelingslanden van gewone mensen wordt gevraagd een radicale vrije markt te omarmen, terwijl rijke landen juist hun markten historisch met sterke overheidsinterventies hebben beschermd .
Kortom, “kapitalisme voor de armen” betekent dat de lagere klassen onderworpen zijn aan de volle competitie en risico’s van de markt, zonder veel bescherming. Zij moeten in een zwem-of-verdrink-systeem zelf zien te overleven, met voedselbanken als laatste redmiddel voor velen . Dit harde systeem voor de onderkant van de samenleving staat in schril contrast met de situatie aan de top, waar de spelregels heel anders blijken te zijn.
Socialisme voor de rijken: steun en reddingsboeien voor grote spelers
Waar individuen aan de onderkant weinig hulp mogen verwachten, kunnen grote ondernemingen en financiële instellingen opmerkelijk vaak rekenen op collectieve steun zodra zij in moeilijkheden verkeren. Verschillende mechanismen illustreren dit “socialisme voor de rijken”:
- Bailouts bij crises (socialisatie van verliezen): Tijdens economische crises grijpen overheden in om grote bedrijven of banken te redden, met belastinggeld. Het bekendste voorbeeld is de financiële crisis van 2008. In plaats van dat risicovolle banken failliet gingen in een vrije markt, werden ze gered met gigantische steunpakketten omdat ze “too big to fail” waren . In de VS kostten de verschillende reddingsoperaties de overheid honderden miljarden dollars; het TARP-programma alleen al had een omvang van $700 miljard . Wereldwijd werd “het inkomen van de vele belastingbetalers gebruikt om de rijkdom van de weinigen te redden” . Dit kwam neer op een bailout van de rijken, want het waren vooral vermogende aandeelhouders en crediteuren die profiteerden van het overeind houden van banken . Europese landen volgden eenzelfde pad: diverse grootbanken in de EU (bijv. RBS in het VK, Fortis/BNP in de Benelux, ING in Nederland, Duitse Landesbanken) kregen kapitaalinjecties of garanties met publieke middelen. In Ierland was de bankencrisis zo duur dat de staatsschuld explodeerde tot ruim 100% van het bbp, nadat de overheid de schulden van failliete banken overnam. In feite werd private schuldenlast omgezet in een publieke last. Na 2008 maakte men de balans op dat Europa in totaal honderden miljarden euro’s uitgaf aan financiële sectorsteun . Deze reddingsacties stabiliseerden het systeem, maar ordinary burgers draaiden op voor de kosten – via belastingen, bezuinigingen of (in het eurogebied) inflatie . Zo noteert de Nederlandse analist Harry Geels dat de redding van Italië’s staatsschuld door de Europese Centrale Bank in wezen “vooral een bailout van de banken” was, waarvan de kosten in de vorm van hogere inflatie door Europese burgers worden betaald . Kortom, in plaats van een puur kapitalistische logica (waarin falende bedrijven failliet gaan), zagen we een vorm van gezamenlijke zekerheid voor de elite: de samenleving nam de verliezen over om het financieel systeem – en de bezittingen van de welgestelden – te beschermen.
- Coronasteunpakketten voor grote bedrijven: Het patroon herhaalde zich tijdens de COVID-19 pandemie. Overheden wereldwijd pompten ongekende bedragen in het ondersteunen van het bedrijfsleven toen de economie stilviel. Hoewel delen van de steun ook bij werknemers en kleine ondernemers terechtkwamen, viel op dat grote bedrijven en multinationals royaal werden bediend. Zo kregen luchtvaartmaatschappijen miljardensteun om niet om te vallen: de Duitse staat verleende bijvoorbeeld een bailout van €9 miljard aan Lufthansa , Nederland en Frankrijk ondersteunden Air France-KLM gezamenlijk met ruim €10 miljard aan leningen en kapitaal, en de VS gaven circa $54 miljard aan subsidies en leningen aan hun luchtvaartsector om salarissen door te betalen. Veel van deze steun kwam neer op overheidslifelines voor aandeelhouders. In de VS ontvingen grootschalige bedrijven ook loonsubsidies en gunstige leningen; naderhand bleek dat sommige grote ketens en zelfs miljonairs hierdoor forse bedragen ontvingen, terwijl kleine ondernemers niet altijd even goed werden bereikt. Centrale banken deden eveneens hun duit in het zakje door bedrijfsobligaties op te kopen en de kapitaalmarkten te ondersteunen, wat vooral grote beursgenoteerde ondernemingen ten goede kwam. Analisten wijzen erop dat de pandemie-steun wederom de private vermogens aan de top heeft beschermd. Pirmin Fessler en Martin Schürz berekenden dat ook in 2020 “opnieuw inkomen van de velen wordt ingezet om de rijkdom van de weinigen te redden” . Zij merken op dat geen van de huidige reddingsplannen voorziet in het vergroten van publiek vermogen of het verminderen van concentratie van privaat vermogen – integendeel, de verwachting is dat de crisis de machtsposities van grote spelers alleen maar heeft versterkt . Inderdaad stegen de aandelenmarkten na de eerste schok tot recordhoogte, hetgeen vooral ten goede kwam aan vermogende investeerders, terwijl lagere inkomensgroepen onevenredig leden onder werkloosheid en inkomensverlies. We zien hier een klassiek geval van asymmetrische risicoverspreiding: wanneer gewone werknemers hun baan verliezen of kleine bedrijven failliet gaan, is dat “pech” en prive-risico, maar wanneer een systeembank of grootbedrijf in de problemen komt, wordt het risico en de last collectief gemaakt en door de publieke sector gedragen .
- Staatsgesubsidieerde industrieën (fossiel, luchtvaart, etc.): Boven op crisissituaties is er de voortdurende praktijk van subsidies en voordelige overheidsregelingen voor bepaalde sectoren, waar met name grote incumbents van profiteren. De fossiele brandstofsector is hier een sprekend voorbeeld. Ondanks de vrije-marktretoriek blijkt dat olie-, gas- en kolenbedrijven wereldwijd enorme impliciete en expliciete subsidies ontvangen. Een analyse van het IMF toonde dat in 2020 de productie en het gebruik van fossiele brandstoffen goed was voor $5,9 biljoen aan subsidies, omgerekend ruim $11 miljoen per minuut . Slechts een fractie hiervan (8%) betrof directe prijssubsidies of verlaagde consumentenprijzen; een groot deel kwam doordat overheden de industrie niet laten opdraaien voor de kosten van bijvoorbeeld luchtvervuiling (42% van de subsidiewaarde) en klimaatverandering (29%) . Dit betekent dat de samenleving opdraait voor de externe kosten terwijl de winsten van deze bedrijven privé blijven. Daarnaast genieten fossiele bedrijven vaak royale belastingvoordelen en investeringsstimuli. In veel landen (zowel ontwikkelde als ontwikkelingslanden) worden olie en gas laag belast of krijgen producenten subsidies voor exploratie. Eveneens opvallend is de luchtvaartindustrie, die naast de speciale COVID-steun structureel profiteert van gunstige regelingen – zo is kerosine vrijgesteld van accijns en betalen luchtvaartmaatschappijen vaak geen BTW op internationale tickets, een historisch gegroeid voordeel dat andere transportsectoren niet hebben. Zulke regelingen fungeren als verborgen subsidie voor (vaak toch kapitaalkrachtige) spelers als grote airlines.
- Belastingontwijking en -voordelen voor de grootste vermogens: Grote multinationals en zeer vermogende individuen maken op mondiale schaal gebruik van jurisdicties met lage belastingen (tax havens) en ingewikkelde fiscale structuren om hun bijdragen te minimaliseren. Het gevolg is dat de rijksten relatief weinig belasting betalen, waardoor de belastingdruk zwaarder op gewone burgers drukt of publieke middelen tekortschieten. Onderzoek door het IMF schat dat overheden jaarlijks $500–600 miljard aan inkomsten mislopen door internationale belastingontwijking van bedrijven . Opvallend genoeg treft dit arme landen relatief het hardst: ongeveer $200 miljard van die gederfde inkomsten komt voor rekening van lage-inkomenslanden . Dat bedrag is groter dan wat deze landen jaarlijks aan ontwikkelingshulp ontvangen, wat betekent dat via het belastingsysteem per saldo geld van arme naar rijke landen stroomt. Rijke individuen parkeren daarnaast naar schatting $8,7 biljoen (Zucman, 2017) tot mogelijk $30+ biljoen (Henry, 2016) in offshore privévermogens , hetgeen opnieuw honderden miljarden aan ontweken inkomstenbelastingen betekent. Deze fiscale uitwegen komen feitelijk neer op een parallel systeem waar vooral de elite toegang toe heeft: grote bedrijven en miljardairs kunnen profiteren van de globalisering om regelgeving te ontwijken, terwijl de lokale middenklasse en kmo’s die mogelijkheden niet hebben en braaf hun hogere tarieven betalen . Dit vergroot oneerlijkheid: kleine ondernemingen kunnen moeilijk concurreren met multinationals die via brievenbusfirma’s hun lasten drukken, en de superrijken dragen relatief minder bij dan de gemiddelde werknemer. Zo ontstaat een omgekeerde herverdeling: de rijksten onttrekken zich deels aan de financiering van collectieve voorzieningen, waardoor die voorzieningen onderbemand raken of de rekening bij de rest wordt gelegd.
Deze voorbeelden illustreren hoe voor de bovenlaag van de economie feitelijk een vangnet en steunsysteem bestaat dat in naam van het algemene belang wordt opgetuigd, maar de vruchten ervan worden onevenredig geplukt door de rijken. In de woorden van Noam Chomsky: “De staat zorgt voor zekerheid en steun aan de belangen van de bevoorrechte en machtige groepen in de samenleving, terwijl de rest van de bevolking de harde werkelijkheid van het kapitalisme moet ondergaan. Socialisme voor de rijken, kapitalisme voor de armen.” .
Internationaal beleid en instituties: IMF, Wereldbank en ongelijk speelveld
De geschetste dynamiek is niet louter een optelsom van nationale beleidskeuzes, maar wordt ook beïnvloed door internationale instellingen en machtsverhoudingen. In feite is er een mondiaal economisch regime ontstaan – vaak aangeduid als het neoliberale model – dat deze asymmetrie structureel verankert.
Instituten als het Internationaal Monetair Fonds (IMF), de Wereldbank, de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en fora als de G7/G20 spelen hierin een belangrijke rol. Zij promoten al decennia lang beleidsrecepten van deregulering, vrijhandel en begrotingsdiscipline, die met name in het mondiale Zuiden hebben geleid tot het afbouwen van sociale voorzieningen en het openstellen van markten voor multinationals . Bijvoorbeeld, tijdens de schuldencrisis van de jaren ’80 en ’90 in Latijns-Amerika en Afrika, stonden het IMF en de Wereldbank klaar met leningen om default (wanbetaling) te voorkomen – niet zozeer om de bevolking te redden, maar om westerse banken hun uitstaande leningen terug te laten krijgen . Toen Mexico in 1982 en later in 1994 in financiële problemen kwam, werd er geen schuldsanering doorgevoerd waarbij investeerders hun verlies moesten nemen. In plaats daarvan stapte het IMF in om noodkredieten te verstrekken, “zodat de banken terugbetaald konden worden en instorting werd vermeden” . Dit was feitelijk een bailout van internationale crediteuren, waarbij de schuldenlast voor Mexico’s bevolking intact bleef. De voorwaarden voor deze leningen waren streng en ideologisch gedreven: landen moesten structurele hervormingen doorvoeren zoals beschreven (liberalisering, privatisering, bezuinigingen) . De impact was dat samenlevingen in ontwikkelingslanden fors moesten inleveren – staatsbedrijven werden verkocht, overheidsbudgetten voor onderwijs en zorg gekort, en arbeidsmarkten flexibeler gemaakt – om zo middelen vrij te maken voor het aflossen van schuld aan rijke investeerders . Dit wordt weleens omschreven als een vorm van “kolonialisme via beleidsprogramma’s”: de bevolking van arme landen draagt de pijn, terwijl financiële instellingen uit rijke landen beschermd worden tegen verliezen.
Ook in latere crises zagen we een vergelijkbaar patroon. Tijdens de Aziatische financiële crisis van 1997-’98 kregen landen als Indonesië, Thailand en Zuid-Korea IMF-steun, maar weer onder strikte bezuinigings- en liberaliseringsvoorwaarden. Critici merkten op dat deze aanpak lokale bedrijven en werkenden zwaar trof, terwijl veel westerse banken hun blootstelling wisten te beperken door de internationale steun. In de Europese schuldencrisis na 2010 speelde het IMF samen met de EU een rol in de reddingspakketten voor Griekenland, Ierland en Portugal. Hoewel deze reddingen officieel landen overeind hielden, vloeide een groot deel van het geld direct door naar het aflossen van schulden aan buitenlandse (met name Franse en Duitse) banken. Zo werd wederom privaat risico omgezet in een schuld die op de Griekse bevolking werd verhaald in de vorm van strenge austeriteit (bezuinigingen).
Internationale handelsregels vertonen eveneens een dubbele standaard. Via de WTO hebben rijke landen vrijhandel afgedwongen, waardoor ontwikkelingslanden hun markten moesten openen voor goederen uit het Noorden. Tegelijk bleven de rijke landen hun eigen landbouwsector subsidies geven en industrieën beschermen wanneer het hen uitkwam. Dit is in feite hetzelfde patroon: van arme landen wordt marktpure orthodoxie verlangd (“zwem of verzuip”), terwijl rijke landen pragmatisch hun bedrijven steunen (zij het subtieler, via landbouwsubsidies, exportkredieten, of losjes toegepaste mededingingsregels). Het resultaat is dat boeren in Afrika en Latijns-Amerika moeilijk kunnen concurreren met gesubsidieerde Europese en Amerikaanse landbouwproducten op hun eigen markten – een scheef speelveld dat lokale ontwikkeling frustreert.
Oxfam-rapporten en andere ngo’s hebben dit onrecht herhaaldelijk aangekaart. Een veel geciteerd gegeven is dat in 2017 de 8 rijkste individuen ter wereld evenveel vermogen bezaten als de armste helft van de mensheid (3,8 miljard mensen) . Zulke extreme ongelijkheid is niet alleen het resultaat van talent of hard werken; het wordt in stand gehouden door beleid en instituties die de machtspositie van het kapitaal verdedigen. De Rosa-Luxemburg-Stichting vat het scherp samen: de mondiale kapitalistische klasse – gesteund door IMF, Wereldbank, WTO en G7 – voert een agenda om verworvenheden van arbeiders terug te draaien, publieke diensten te elimineren, winsten te privatiseren en verliezen te socialiseren, wat leidt tot intensievere uitbuiting . Dit “perverse planetaire systeem” wordt gedomineerd door parasitair financieel kapitaal en oplegd via de schijn neutrale “marktmechanismen” aan alle bevolkingen . Anders gezegd: globalisering onder neoliberale voorwaarden heeft de speelruimte van nationale overheden verkleind om hun burgers te beschermen, terwijl tegelijkertijd voor grensoverschrijdend kapitaal een vangnet bestaat (bijvoorbeeld via het recht op arbitrage voor investeerders, IMF-ingrepen bij crises, etc.).
Samenvattend zien we dat internationale instituties vaak de regels van het spel zo vormgeven dat risico’s en lasten bij de zwakkeren terechtkomen en bescherming bij de sterkeren. Dit draagt structureel bij aan de instandhouding van globale ongelijkheid.
Gevolgen: structurele instandhouding van ongelijkheid
De beschreven tweedeling – kapitalisme voor de meest kwetsbaren, sociale bescherming voor de machtigen – heeft diepe gevolgen voor de verdeling van inkomen en vermogen. Ten eerste leidt het ertoe dat ongelijkheid wordt vergroot of verankerd. Wanneer winsten in goede tijden vrijwel volledig naar aandeelhouders en topinkomens vloeien, maar in slechte tijden de verliezen door de samenleving worden gedragen, bouwen de rijken over de lange termijn steeds meer vermogen op terwijl de rest achterblijft. In de aanloop naar de financiële crisis zagen we al een enorme concentratie van rijkdom; nadien is dit alleen maar doorgegaan. Sterker nog, analyses wijzen uit dat de reddingsoperaties van 2008 feitelijk de private vermogens hebben gered en vervolgens opnieuw deden groeien, zonder dat de gemiddelde burger meeprofiteerde van het herstel . Banken maakten na de crisis weer grote winsten en aandelenkoersen stegen fors, maar de belastingbetaler die de redding financierde, zag geen vergelijkbare return. Zo daalde in veel westerse landen het aandeel van het nationaal inkomen dat naar arbeid (loon) gaat na 2008, terwijl het aandeel dat naar kapitaal (winst, rente, dividend) gaat steeg . Die dalende arbeidsinkomensquote betekent dat werknemers relatief minder meekregen van de groei, wat bijdroeg aan inkomensongelijkheid.
Ten tweede ondermijnt het de sociale mobiliteit. Een kenmerk van het “Amerikaans dromen”-kapitalisme is traditioneel dat harde werkers zich kunnen opwerken. Maar als de spelregels zodanig zijn dat de rijken hun positie kunnen veiligstellen (met hulp van overheidsteun, belastingontwijking, etc.) terwijl de massa geen vergelijkbare bescherming heeft, wordt het voor de gemiddelde burger moeilijker om vermogen op te bouwen of tegenvallers te boven te komen. Schuldenlasten van huishoudens blijven bijvoorbeeld hoog (denk aan studieschulden, medische schulden in de VS, of microkredieten in ontwikkelingslanden), terwijl de superrijken toegang hebben tot vrijwel gratis kapitaal van centrale banken. Ongelijkheid wordt zo doorgegeven van generatie op generatie. Noam Chomsky merkte hierover op dat de VS steeds meer een plutocratie is geworden: “Concentratie van rijkdom leidt tot concentratie van macht, wat leidt tot beleid dat de rijken bevoordeelt en de ongelijkheid verder vergroot” . Dit vicieuze cirkel-effect betekent dat economische ongelijkheid ook politieke ongelijkheid in de hand werkt – de rijken lobbyen voor hun privilege (bijv. belastingverlagingen, deregulering), wat weer verdere vermogensconcentratie teweegbrengt .
Ten derde zien we wereldwijd scheve verhoudingen bevestigd. Zoals hierboven genoemd, onttrekt het huidige systeem netto middelen aan de armere landen (via schuldenaflossing, kapitaalvlucht, ongelijke handel). Dit verergert de kloof tussen rijk en arm op mondiaal niveau. Zelfs wanneer er economische groei is in ontwikkelingslanden, vloeit een disproportioneel deel vaak terug naar investeerders of wordt afgeroomd door lokale elites die eveneens hun geld offshore parkeren. De combinatie van marktliberalisering en kapitaalbescherming heeft bijvoorbeeld in Afrika en delen van Azië geleid tot groei zonder brede ontwikkeling: het BNP steeg, maar armoede daalde niet navenant omdat de vruchten naar een kleine bovenlaag gingen en buitenlandse aandeelhouders.
Cruciaal is dat deze patronen zelfversterkend zijn. Nadat in 2020 de coronacrisis toesloeg, nam de ongelijkheid opnieuw toe: miljardairs zagen hun vermogens sneller herstellen en zelfs groeien dankzij centrale bank interventies en beursrally’s, terwijl lage inkomens onevenredig werden getroffen door werkverlies en inkomensdaling . De term “K-vormig herstel” werd gebruikt: de welvarenden herstelden (de opgaande poot van de K) en de armen gingen verder achteruit (de neergaande poot). Fessler & Schürz waarschuwden dat “de economie na de crisis waarschijnlijk gekenmerkt zal worden door een grotere marktconcentratie en stabielere machtsposities dan voorheen; de crisis raakt de armen het hardst en verhoogt de werkloosheid, waardoor de onderhandelingsmacht van werknemers daalt” . Dit duidt op een structurele verzwakking van arbeid ten opzichte van kapitaal.
Empirische gegevens bevestigen de toename van vermogensongelijkheid. Zo blijkt uit surveys van centrale banken dat in landen als de VS, Duitsland en Nederland de onderste 50% van de huishoudens een uiterst klein deel van het totaal vermogen bezit (veelal enkele procenten), terwijl de top 10% een groot merendeel in handen heeft . In Nederland bijvoorbeeld is de vermogensongelijkheid hoog, mede omdat pensioenen en sociale voorzieningen relatief goed zijn – veel mensen hebben weinig privévermogen nodig voor pensioen of zorg, maar dat betekent ook dat het gros van het financiële vermogen bij de rijkere huishoudens zit. Landen met een stevig openbaar sociaal vangnet kennen doorgaans een iets gelijkere vermogensverdeling (de staat draagt immers risico’s, wat de noodzaak wegneemt dat individuen grote reserves aanleggen), terwijl in landen zonder zulke zekerheid de rijken zowel het vermogen hebben als de armen gedwongen worden schulden aan te gaan voor basisbehoeften .
Uiteindelijk zorgt dit systeem ervoor dat ongelijkheid niet als tijdelijk bijproduct van economische ontwikkeling kan worden gezien, maar als een inherent resultaat van beleidskeuzes en machtsverhoudingen. Zolang “socialisme” voor de rijken en “kapitalisme” voor de armen de norm blijft, zullen de scheidslijnen in welvaart en zekerheid naar verwachting verder verharden.
Uitzonderingen en alternatieve modellen
Hoewel het hierboven geschetste beeld in veel landen opgaat, zijn er ook samenlevingen die (gedeeltelijk) andere wegen zijn ingeslagen. Deze alternatieve modellen tonen aan dat de bestaande toestand niet onvermijdelijk is, maar het gevolg van keuzes. We belichten twee categorieën: de Noord-Europese Nordic model verzorgingsstaten en de zogeheten post-neoliberale ervaringen in Latijns-Amerika.
Het Noorse model: universele vangnetten en gedeelde welvaart
De Scandinavische landen (Denemarken, Noorwegen, Zweden, Finland, en in brede zin ook IJsland) hanteren al decennialang een economisch model dat wezenlijk verschilt van de Angelsaksische neoliberale benadering. Het Nordic model wordt gekenmerkt door een combinatie van marktwerking met een sterk stelsel van sociale voorzieningen en herverdeling. Deze landen proberen prosperiteit te koppelen aan gelijkheid – en met succes: ze kennen een hoge levensstandaard én relatief lage inkomensongelijkheid .
Enkele pijlers van dit model zijn: (1) substantiële publieke investeringen in essentiële diensten zoals onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang, die voor iedereen toegankelijk zijn; (2) krachtige vakbonden en gecoördineerde loonvorming, wat leidt tot kleinere loonkloof tussen werkenden; (3) hoge sociale zekerheid en verzekering tegen tegenslagen (bijv. royale werkloosheidsuitkeringen, arbeidsongeschiktheidsdekking, pensioenvoorzieningen) gefinancierd door de staat; en (4) progressieve belastingheffing met hoge tarieven voor topinkomens en vermogens, waarvan de opbrengst gebruikt wordt om publieke diensten en inkomensondersteuning te bekostigen . In tegenstelling tot “socialisme voor de rijken” is dit model eerder “socialisme voor iedereen” in de zin dat sociale bescherming universeel is in plaats van exclusief voor de bovenklasse.
Door deze inrichting kennen de Nordics bijvoorbeeld algemeen betaalbare of gratis hoger onderwijs (zodat arme jongeren geen enorme schulden hoeven te maken), universele gezondheidszorg en sterke werknemersrechten. Tijdens economische tegenslagen fungeert de staat als buffer voor burgers én bedrijven, maar met voorwaarden. Zo heeft de Scandinavische aanpak in crises vaak bestaan uit tijdelijke nationalisatie of aandeelname in probleembanken (zoals Zweden deed in de bankencrisis van begin jaren ’90) en vervolgens hervorming, in plaats van het simpelweg schrijven van een blanco cheque. Dit betekent dat de publieke sector ook profiteert van het herstel (door later de genationaliseerde aandelen met winst te verkopen) – een belangrijk verschil met 2008 in de VS, waar banken werden gered maar de staat weinig van de latere winsten terugzag. De Noordse landen hebben bovendien actieve arbeidsmarktpolitiek: werknemers die hun baan verliezen, krijgen omscholing en hulp bij het vinden van nieuw werk, gefinancierd uit collectieve middelen. Al deze maatregelen beperken de individuele risico’s voor burgers aanzienlijk. Niemand hoeft bang te zijn door een ziekterekening failliet te gaan of door kortstondige werkloosheid in de bijstand te belanden, want het systeem vangt je op.
Het resultaat is dat inkomens- en vermogensverschillen gematigder zijn. Weliswaar bestaan er ook in Scandinavië rijken, maar de kloof is minder extreem en de onderkant van de samenleving leeft in relatief waardige omstandigheden (minder armoede, vrijwel geen dakloosheid, etc.). Het model laat dus zien dat een kapitalistische markteconomie ook zó georganiseerd kan worden dat de collectieve risico-deling sterk is – een contrast met landen waar de vrije markt wordt gevierd maar de minder gefortuneerden aan hun lot worden overgelaten. Volgens recente studies is vooral de egalitaire loonstructuur (weinig verschil in uurloon tussen banen) cruciaal voor de lage ongelijkheid in Nordics . Dit komt door historische keuzes: sterke vakbonden, sectorbrede cao’s, en een cultuur van consensus hebben voorkomen dat bijvoorbeeld CEO’s honderden malen het gemiddelde loon verdienen, iets wat in bijvoorbeeld de VS wél is gebeurd.
Bovendien zijn Nordics bereid grote bedrijven aan te pakken als dat in het maatschappelijke belang is. Zo heeft Finland in het verleden Nokia – destijds een cruciale werkgever – niet van belasting of regelgeving vrijgesteld; het bedrijf moest gewoon concurreren en innoveren. En Noorwegen beheert zijn olie-inkomsten via een staatsfonds ten behoeve van de hele bevolking (en toekomstige generaties), in plaats van alles aan de oliemaatschappijen te laten. Dit zijn vormen van publieke waardecreatie waarbij natuurlijke rijkdommen en innovaties breed worden gedeeld.
Kortom, het Noordse model functioneert als een tegenvoorbeeld: in plaats van kapitalisme voor de armen en socialisme voor de rijken, hebben zij sociaal kapitalisme voor iedereen. Natuurlijk kennen ook deze landen economische uitdagingen en is hun model niet perfect (zo wordt er gedebatteerd over duurzaamheid van het welvaartsniveau en integratie van immigranten), maar qua economische verdeling en bescherming tonen ze dat alternatieven mogelijk zijn.
Post-neoliberale experimenten in Latijns-Amerika
In Latijns-Amerika hebben in de 21e eeuw diverse landen gepoogd te breken met het strikte neoliberale beleid van de jaren ’80-’90. Deze periode wordt weleens de “roze golf” genoemd, waarin linkse of centrumlinkse regeringen aan de macht kwamen die expliciet ongelijkheid wilden verminderen en meer economische soevereiniteit nastreefden. Landen als Venezuela (onder Hugo Chávez), Bolivia (Evo Morales), Ecuador (Rafael Correa), Brazilië (Lula da Silva) en anderen voerden post-neoliberale of sociaaldemocratische experimenten door.
Concrete maatregelen die deze regeringen namen, waren onder meer: hernationalisering of hogere winstafdracht eisen in de natuurlijke hulpbronnensector (olie, gas, mijnbouw) om overheidsinkomsten te vergroten; uitbreiding van sociale programma’s en uitkeringen voor armen; investeringen in onderwijs en gezondheidszorg; en stijging van minimumlonen. Bijvoorbeeld, Bolivia nationaliseerde in 2006 de gasindustrie (voorheen grotendeels in buitenlandse handen) en gebruikte de extra inkomsten voor maatschappelijke programma’s en cash-transfers aan ouderen en kinderen (bono dignidad, bono Juancito Pinto, etc.). Dit droeg bij aan een spectaculaire daling van armoede en extreme armoede gedurende Morales’ presidentschap. In Brazilië lanceerde Lula het Bolsa Família-programma, een cashtransfer aan miljoenen arme gezinnen op voorwaarde dat kinderen naar school gingen en gevaccineerd werden. Dit beleid tilde tientallen miljoenen Braziliënten uit extreme armoede en hielp de ongelijkheid verlagen . Brazilië verhoogde ook het minimumloon aanzienlijk, wat direct de inkomensongelijkheid verkleinde. In Argentinië en andere landen werden na de economische crisis van 2001 – waarbij het land in default ging en juist niet alle buitenlandse schuldeisers volledig betaalde – sociale uitgaven op peil gehouden en herstelde de economie snel, mede doordat de ketenen van het IMF even waren afgeschud.
Deze beleidswijzigingen hadden meetbare effecten: tussen circa 2000 en 2010 daalde de inkomensongelijkheid in 13 van de 17 Latijns-Amerikaanse landen, gemeten via de Gini-index . Dit was opmerkelijk, want in dezelfde periode nam ongelijkheid juist toe in veel andere delen van de wereld (VS, China, India). Het betekende een breuk met het verleden: Latijns-Amerika, historisch een van de meest ongelijke regio’s, zag een periode van convergentie tussen arm en rijk. Studies wijzen uit dat ongeveer de helft van die daling was toe te schrijven aan kleinere loongelijkheden (o.a. dankzij beter onderwijs en krapper wordende vaardigheidsverschillen op de arbeidsmarkt) en de andere helft aan herverdelingsbeleid (zoals de cashtransfers, pensioenhervormingen, etc.) . Politiek speelde de opkomst van partijen die de armen vertegenwoordigen (bijv. MAS in Bolivia, de Arbeiderspartij in Brazilië) een rol in het tot stand brengen van deze omslag .
Toch moet niet worden geromantiseerd: Latijns-Amerika bleef ondanks verbeteringen zeer ongelijk, en sommige “post-neoliberale” regeringen kenden eigen tekortkomingen. Zo hadden landen als Venezuela en Argentinië economische instabiliteit en bleven afhankelijk van olie of grondstoffenexport, wat bij prijsdalingen tot crises leidde. Ook bleven elementen van het oude patroon bestaan. Bijvoorbeeld, een deel van de uitgaven bleef regressief: subsidies op brandstof of elektriciteit kunnen arme huishoudens helpen, maar in absolute zin profiteren rijkere burgers die meer verbruiken er vaak meer van. Americas Quarterly merkte op dat in Latijns-Amerika soms nog steeds overheidsingrepen plaatsvinden die de inkomensverdeling verslechteren, “bijvoorbeeld subsidies voor landbouwproducenten of luchtvaartmaatschappijen” – klassiek genoeg wederom voordelen die bij de hogere inkomens landen . Bovendien is de belastingdruk op rijkeren in veel Latijns-Amerikaanse landen nog relatief laag (weinig inkomstenbelasting, veel afhankelijkheid van BTW die arm en rijk gelijk treft) . Dat beperkt de mate van herverdeling.
Toch tonen de Latijns-Amerikaanse ervaringen aan dat beleid ertoe doet: wanneer politieke wil er is, kan armoede en ongelijkheid worden teruggedrongen zonder het systeem instabiel te maken. Sterker nog, de jaren van dalende ongelijkheid gingen samen met economische groei en afnemende extreme armoede – het is dus niet zo dat een grotere gelijkheid enkel via krimp of “nivellering naar beneden” bereikt werd, integendeel. Deze landen kozen ervoor om iets meer sociale bescherming voor de armen te bieden (bijv. via directe steun en diensten), betaald uit de hogere grondstoffeninkomsten en iets zwaardere lasten voor de elite. In zekere zin brachten ze een element van het “sociale” terug in het systeem dat in de voorgaande neoliberale jaren was uitgekleed.
Helaas is een deel van deze vooruitgang fragiel gebleken. Zodra grondstoffenbubbels barstten of nieuwe rechtse regeringen aantrad, zijn sommige programma’s weer teruggeschroefd. Niettemin blijft de les dat alternatieve keuzes mogelijk zijn, en dat een ander evenwicht tussen markt en staat tot andere uitkomsten leidt.
Conclusie
Het wereldwijde patroon van “kapitalisme voor de armen, socialisme voor de rijken” is geen toevalligheid maar het gevolg van hoe economische macht en beleid zijn georganiseerd. Arme mensen en werknemers krijgen te horen dat ze zich moeten voegen naar de tucht van de markt – zonder vangnet en met persoonlijke verantwoordelijkheid voor tegenslag – terwijl grote bedrijven en de superrijken in feite opereren met een impliciete garantie dat de samenleving hen in crisis redt en hen allerlei privilegies verschaft. Dit systeem heeft zich in de afgelopen decennia verankerd in nationale beleidskeuzes (deregulering, belastingverlagingen voor kapitaal, bezuinigingen op sociale zekerheid) én internationale kaders (IMF-programma’s, handelsverdragen, etc.). Het resultaat is een structurele ongelijkheid die zichzelf versterkt: rijkdom concentreert, macht concentreert, en die macht beïnvloedt weer de regels in het voordeel van rijkdom.
Toch is de situatie niet onomkeerbaar. Zoals we zagen, bestaan er alternatieve modellen waarbij het evenwicht eerlijker is – of het nu gaat om de universele welvaartsstaat in Noord-Europa of beleid dat tenminste deels de onderklasse versterkt zoals in delen van Latijns-Amerika. Deze voorbeelden tonen dat politiek en beleid essentieel zijn: met andere keuzes kunnen verliezen eerlijker worden verdeeld en kunnen ook de vruchten van groei breder gedeeld worden.
Voor echte verandering is waarschijnlijk een combinatie nodig van binnenlandse hervormingen en internationale coördinatie. Denk aan stevigere vangnetten en werknemersrechten binnen landen, hervorming van het belastingstelsel om ontwijking te beperken en de sterkste schouders de zwaarste lasten te laten dragen, het doorbreken van het “too big to fail”-dogma door grote bedrijven meer verantwoordelijkheid te laten dragen (bv. resolutiemechanismen voor banken, of voorwaarden aan steun zoals aandelenoverdracht aan de staat), en beter toezicht op kapitaalstromen. Ook het internationale financiële systeem zou hervormd moeten worden zodat niet bij elke crisis de voorkeur automatisch uitgaat naar het beschermen van banken ten koste van bevolkingen.
Zonder dergelijke ingrepen blijft het risico bestaan dat we de komende crises opnieuw hetzelfde script zien: de samenleving springt bij voor de rijken, terwijl de armen zichzelf moeten zien te redden. Het besef groeit echter – ook binnen instellingen als het IMF – dat extreme ongelijkheid economisch en sociaal onhoudbaar is . De vraag is of dit zich vertaalt in daadwerkelijke breuken met het huidige model. Uiteindelijk gaat het om een morele en politieke keuze: accepteren we een systeem dat winst privatiseert en verlies socialiseert, of bouwen we aan een systeem dat risico’s en welvaart eerlijker deelt? Het antwoord op die vraag zal bepalen of “socialisme voor de rijken, kapitalisme voor de armen” een historische curiositeit wordt, of blijft voortbestaan als kenmerk van de 21e-eeuwse wereldeconomie.