Stel je een Nederland voor waar de zorg niet wordt uitgeknepen, waar leraren niet hoeven bedelen voor een fatsoenlijk salaris, waar jongeren wél een betaalbaar huis kunnen vinden. Een land waar de overheid niet de loopjongen van multinationals is, maar de beschermer van haar burgers.
Dat Nederland had er kunnen zijn. De miljarden die onder Rutte zijn weggevloeid naar belastingdeals, dividendcadeaus en lobbyvriendjes, hadden geïnvesteerd kunnen worden in mensen, niet in bedrijven die toch al bulken van het geld. In dit tweede deel van ons drieluik schetsen we wat er mogelijk was geweest: eerlijke belastingen, een sterke publieke sector, en een economie die draait voor iedereen, niet alleen voor de happy few.
We laten zien dat het wél kan. En belangrijker: dat het had móeten gebeuren.
Rutte’s neoliberale keuzes en de gevolgen
Belastingparadijs voor multinationals: Onder Mark Rutte’s kabinetten koos Nederland stelselmatig voor een fiscaal beleid dat grote bedrijven bevoordeelde. Zo groeide Nederland uit tot een beruchte doorvoerhaven voor belastingontwijking. Een rapport van de Europese Commissie noemde Nederland zelfs de “onbetwiste Europese kampioen” in het aanbieden van routes om belasting te ontwijken[1]. Dit belastingklimaat lokte duizenden zogeheten brievenbusfirma’s (postbusbedrijven) naar Amsterdam en de Zuidas. In 2019 telde Nederland 12.400 brievenbusfirma’s met een gezamenlijke waarde van rond €4.500 miljard – dat is 5,5 keer het Nederlandse BBP[2]. Voor de Nederlandse samenleving leverde dit echter nauwelijks iets op: minder dan 1% van de totale belastingopbrengsten kwam van deze brievenbusconstructies, en slechts enkele duizenden banen werden hierdoor gecreëerd[2]. Ondertussen schaadt zo’n belastingparadijs-rol de internationale reputatie van Nederland en onthoudt het andere landen broodnodige inkomsten[3]. Zelfs de eigen schatkist loopt flinke inkomsten mis: geschat wordt dat Nederland jaarlijks ongeveer €5,5 miljard aan belastinginkomsten verliest doordat het bedrijven royale fiscale voordelen geeft en multinationals hun winsten via Nederland onbelast weg kunnen sluizen[4]. Dit zijn miljarden die de Nederlandse samenleving had kunnen investeren in publieke voorzieningen, maar die nu zijn opgeofferd in een internationale “race to the bottom” ten bate van multinationals.
Belastingcadeaus voor grote bedrijven: Een sprekend voorbeeld van Rutte’s keuzes was de controversiële poging om de dividendbelasting af te schaffen. In 2017 dook in het regeerakkoord plotseling een maatregel op om €1,9 à 2 miljard per jaar te besteden aan het schrappen van de dividendbelasting – een voorstel dat in geen enkel verkiezingsprogramma stond[5][6]. Al snel werd duidelijk dat dit vooral bedoeld was als cadeautje voor twee multinationals: Shell en Unilever[7]. Deze bedrijven maakten destijds enorme winsten (Shell behaalde in 2018 zo’n €20 miljard winst, Unilever bijna €10 miljard[7]) en verkeerden geenszins in problemen. Toch wilde Rutte hun aandeelhouders jaarlijks bijna €2 miljardbelastingbesparing geven. Zijn rechtvaardiging was dat Nederland anders het “levensgrote risico” liep dat dergelijke bedrijven zouden vertrekken naar landen met een gunstiger belastingklimaat[8]. Er was echter geen bewijs dat dit dure belastingvoordeel nodig of effectief was – sterker nog, later onderzoek toonde dat dit argument al jaren door lobbyisten werd overdreven en als dreigmiddel ingezet[9][10]. Uit onthullingen bleek bovendien dat er intensief gelobbyd was door Shell voor afschaffing van de dividendbelasting[11]. Met andere woorden: onder Rutte kregen de grootste bedrijven via lobbywerk een luisterend oor, terwijl het maatschappelijk nut van zulke maatregelen ontbrak. Uiteindelijk moest Rutte deze afschaffingsplannen intrekken na publieke verontwaardiging, maar het voorval illustreert hoe het kabinet bereid was miljarden te geven aan multinationals, terwijl dat geld ook in de samenleving geïnvesteerd had kunnen worden[12]. Om die €2 miljard per jaar in perspectief te plaatsen: daarvoor had men het eigen risico in de zorg kunnen schrappen voor alle lage- en middeninkomens, of de tandartszorg weer gratis kunnen maken, of de salarissen van alle basisschoolleraren substantieel kunnen verhogen[12]. Het kabinet-Rutte koos echter anders – ten gunste van bedrijven en ten koste van dergelijke sociale investeringen. Ongelijkheid is daarmee, zoals critici opmerkten, een politieke keuze geweest[13].
Uitgebreide bezuinigingen en druk op de economie: Rutte’s neoliberale koers kwam niet alleen tot uiting in belastingvoordelen voor bedrijven, maar ook in strenge bezuinigingen op overheidsuitgaven. Tijdens en na de financiële crisis voerden Rutte’s kabinetten (met de VVD in de lead) meerdere rondes van harde bezuinigingsmaatregelen door, onder het motto dat “de overheid de broekriem moest aanhalen”. Zo is sinds Rutte’s aantreden in 2010 voor tientallen miljarden euro’s bezuinigd op publieke sectoren en sociale uitgaven[14]. Deze keuzes hadden ingrijpende gevolgen. Economische experts becijferden achteraf dat het begrotingsbeleid van Rutte – het strikte vasthouden aan bezuinigen te midden van een recessie – de Nederlandse economie enorme schade heeft toegebracht[15]. Hoogleraar Bas Jacobs stelt bijvoorbeeld dat door het austeriteitsbeleid de Nederlandse economie structureel kleiner is gebleven: de economie loopt circa 17% achter op de groeitrend van vóór de crisis, waarvan zeker 10% blijvende schade is[16]. In euro’s betekent dit dat Nederland elk jaar zo’n €60 miljard aan inkomen misloopt vergeleken met een scenario zonder die harde bezuinigingen[16]. Werkloosheid bleef in de nasleep van de crisis onnodig hoog en herstel trad vertraagd in omdat overheidsinvesteringen wegvielen precies toen de private sector zwak was. Zelfs het IMF en gezaghebbende economen (zoals Nobelprijswinnaar Paul Krugman) waarschuwden dat dit beleid een crisis alleen maar verdiept[17][18]. Toch koos Rutte, gedreven door een neoliberale ideologie, voor “de economische zelfkastijding” van harde bezuinigingen, zoals Krugman het noemde[19]. De belofte was telkens dat “lastige ingrepen Nederland sterker zouden maken”, maar voor veel gewone mensen pakte dit anders uit: er werd geknipt in sociale voorzieningen, investeringen in o.a. sociale woningbouw en zorg achtergesteld, en de rekening van de crisis kwam grotendeels bij burgers te liggen. Pas jaren later, toen de economie moeizaam aantrok, verbeterde de situatie enigszins, maar de gemiste groei en achterstanden in bijvoorbeeld de publieke sector (onderwijs, zorg, defensie) zijn nog altijd voelbaar.
Nederland behoort tot de landen met de grootste vermogensongelijkheid onder huishoudens: de rijkste 10% bezit circa 68% van alle vermogen (alleen de VS scoort hoger). Deze scheve verdeling is tekenend voor detoegenomen ongelijkheid.
Stijgende ongelijkheid en sociale problemen: Tegelijk met deze beleidsto keuzes steeg de kloof tussen rijk en arm. De vermogensongelijkheid in Nederland is extreem hoog vergeleken met andere Westerse landen (zie bovenstaande grafiek). Recente cijfers lieten zien dat de rijkste 1% van de Nederlandse huishoudens ongeveer een derde van alle privévermogen bezit, terwijl miljoenen huishoudens aan de onderkant geen enkel vermogen of zelfs schulden hebben[20]. Het aandeel van de rijksten nam toe in de afgelopen jaren, mede doordat lastenverlichting (zoals belastingkortingen) disproportioneel voordelig uitpakte voor kapitaal en hoge inkomens. Voor de grote middengroep en de lagere inkomens bleef daarentegen weinig verbetering over: hun koopkracht stagneerde grotendeels. Zo is het reëel besteedbaar inkomen van de gemiddelde Nederlander over de afgelopen veertig jaar nauwelijks gegroeid, ondanks een fors hogere economie – de vruchten van groei zijn vooral naar bedrijven en aandeelhouders gevloeid, niet naar werknemers[21]. Daarnaast kampt Nederland structureel met een groep burgers in armoede. Rond 2021 leefden meer dan een miljoen mensen (6% van de bevolking) onder de armoedegrens[22], waaronder veel kinderen. Hoewel economische groei het armoedecijfer in recentere jaren iets heeft gedrukt, blijft armoede een hardnekkig probleem dat door beleid beter kon worden bestreden. Rutte’s kabinetten maakten echter andere afwegingen: uitkeringen werden niet substantieel verhoogd en de toegang tot hulp bleef beperkt, onder het motto dat “werken moet lonen” en afhankelijkheid van uitkeringen moest worden ontmoedigd. Het resultaat is dat sociale ongelijkheid eerder is toegenomen dan afgenomen – iets wat met rechtvaardiger verdelingsbeleid anders had kunnen uitpakken.
Menselijke tol: de toeslagenaffaire en wantrouwen jegens burgers: Een tragisch dieptepunt van de focus op fraude en bezuiniging was de toeslagenaffaire. Onder Rutte III voerde de Belastingdienst een meedogenloos strikt fraudebeleid bij kinderopvangtoeslagen: als er ook maar een kleine administratieve fout werd gevonden, werden ouders direct als fraudeur bestempeld en moesten zij tienduizenden euro’s aan ontvangen toeslag terugbetalen. Duizenden gezinnen – veelal kwetsbare, hardwerkende ouders – kwamen hierdoor in financiële vernieling terecht. Interne signalen bij de Belastingdienst gaven al vroeg aan dat ouders kapot gingen door kleine foutjes, maar desondanks greep de politieke top niet in[23]. In de woorden van een onderzoeksjournalist: “De Belastingdienst liet duidelijk weten dat ouders de vernieling in gingen vanwege kleine foutjes. Maar deze berichten gingen verloren… politieke prioriteiten kregen voorrang”[23]. Die prioriteit was kennelijk om streng te lijken en geen “misbruik” van toeslagen toe te staan – zelfs al was het misbruik minimaal en de maatregel buitenproportioneel. Het kabinet-Rutte negeerde lange tijd de noodkreten van gedupeerde ouders en bleef benadrukken dat regels nu eenmaal regels zijn. Uiteindelijk leidde het onthutsende rapport “Ongekend Onrecht” in 2021 tot de val van Rutte III: het kabinet erkende verantwoordelijkheid voor de ongekende injustitie die deze families was aangedaan. De toeslagenaffaire toont hoe in Rutte’s beleid de menselijke maat zoekraakte. Waar grote bedrijven volop profiteerden van coulante fiscale behandeling, werden gewone burgers genadeloos afgerekend op minieme vergissingen. Het gevolg was niet alleen persoonlijk leed (honderden kinderen uit huis geplaatst, huwelijken en levens geruïneerd), maar ook een diep gat in het vertrouwen van burgers in de overheid. Deze tragedie had voorkomen kunnen worden met een socialere benadering waarin burgers met compassie worden behandeld in plaats van wantrouwen.
Samengevat, de erfenis van Rutte’s neoliberale keuzes is een Nederland waarin multinationals en vermogenden het goed hebben gekregen, maar waarin de samenleving als geheel kansen heeft gemist. Belastingontwijking werd gedoogd ten koste van schatkist en eerlijkheid. Grootschalige bedrijfscadeaus gingen vóór investeringen in publieke welvaart. Strenge bezuinigingen hebben het economisch potentieel afgeremd en druk gezet op voorzieningen. En een bureaucratische hardvochtigheid jegens kwetsbare burgers (zoals bij de toeslagen) heeft sociale wonden geslagen. Maar – en dit is cruciaal – het had ook anders gekund. Hieronder schetsen we een realistisch alternatief scenario, waarin de regering precies de tegenovergestelde keuzes maakt: eerlijk belasten, géén belastingparadijs spelen, wel investeren in mensen, en een socialer beleid voeren. Wat zouden de kosten en baten daarvan zijn, en hoe zou Nederland er nu voor staan als die weg was bewandeld?
Een eerlijk en sociaal alternatief beleid
Stel dat Nederland in de afgelopen jaren andere keuzes had gemaakt – keuzes gericht op eerlijkere belastingheffing en op het welzijn van mensen in plaats van het maximaliseren van bedrijfswinsten. Hoe zou zo’n alternatief beleid eruit hebben gezien? Hieronder belichten we de kern van zo’n sociaal-economisch alternatief:
- Aanpakken van belastingontwijking en eerlijke bijdragen van multinationals: Een alternatief kabinet had de rol van Nederland als belastingparadijs actief beëindigd. Geen sluiproutes meer voor multinationals – in plaats daarvan strenge bronheffingen op dividend, rente en royalty’s die Nederland uitstromen naar bekende belastinghavens. Het zou schadelijke fiscale constructies hebben gesloten, zoals de beruchte innovatiebox en de speciale afspraken (rulings) met grote bedrijven[24]. Het land zou zich hard hebben gemaakt voor transparantie en internationale samenwerking tegen belastingontwijking, in plaats van deze te traineren[25]. Dit betekent bijvoorbeeld dat Nederland in de EU voorop had gelopen bij het invoeren van een minimale winstbelasting en het delen van informatie over multinationals. Een eerlijk belastingbeleid zou multinationals dwingen hun rechtvaardige aandeelte betalen – zodat bedrijven niet bijna nul belasting afdragen ondanks miljardenwinst. Het gevolg: de schatkist zou jaarlijks vele miljarden extra innen die nu weglekken. Ter illustratie: Oxfam Novib berekende dat een rechtvaardiger beleid Nederland zelf jaarlijks €5 à €6 miljard aan extra inkomsten kan opleveren[4]. Dat is geld waarmee de overheid scholen, zorg en infrastructuur kan financieren in plaats van het in de zakken van internationale aandeelhouders te laten verdwijnen. Bovendien zou Nederland door deze koers internationaal respect afdwingen: het zou niet langer een land zijn dat armoede in ontwikkelingslanden vergroot door belastingontwijking te faciliteren[26][3], maar juist een partner in de strijd voor eerlijke globalisering.
- Behoud van dividendbelasting en fiscale rechtvaardigheid: In dit alternatieve scenario zou de regering nooit hebben geprobeerd de dividendbelasting af te schaffen. Integendeel, ze had deze belasting – een bronheffing op winstuitkeringen – behouden of zelfs hervormd om grootaandeelhouders eerlijk te laten bijdragen. De ~€2 miljard per jaar die Rutte anders wilde weggeven, zou nuttig zijn ingezet voor de samenleving. Denk aan het voorbeeld dat eerder genoemd is: met €2 miljard per jaar extra kun je meervoudig investeren in welzijn van burgers[12]. In plaats van een belastingcadeau aan Shell/Unilever had een sociaal kabinet dat bedrag kunnen aanwenden om de zorgkosten voor burgers te verlagen, bijvoorbeeld door het eigen risico in de zorg drastisch te verlagen of af te schaffen voor mensen met lage inkomens[13]. Of het geld was gegaan naar het verhogen van de lonen van leraren en zorgpersoneel, om zo de kwaliteit van onderwijs en zorg te verbeteren én de beroepsgroepen waardig te belonen (en personeelstekorten tegen te gaan). Een andere optie: investeren in betaalbare woningen, zodat niet alleen vastgoedbeleggers profiteren maar jonge gezinnen een huis kunnen vinden. Kortom, door geen belastingkorting aan multinationals te geven, zou een alternatief kabinet belangrijke sociale investeringen hebben gedaan die de levenskwaliteit van de gemiddelde Nederlander direct ten goede komen. Daarnaast had men het belastingstelsel progressiever kunnen maken: meer in lijn met het principe “de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten”. Bijvoorbeeld door de hoogste inkomensgroep iets zwaarder te belasten of vermogen zwaarder mee te laten tellen, terwijl de lasten voor lage en middeninkomens juist verlicht worden. Hiermee had men de groeiende vermogensongelijkheid kunnen tegengaan en armoede structureel reduceren. Zoals economen wel zeggen: “belasting is de prijs die we betalen voor beschaving” – een eerlijke verdeling daarvan zou politieke prioriteit moeten zijn.
- Investeren in mensen in plaats van bezuinigen: Een wezenlijk ander besluit in dit scenario is hoe men omgaat met economische crises. In tegenstelling tot Rutte’s harde bezuinigingspakket zou een sociaal-georiënteerde regering hebben gekozen voor anticyclisch beleid: investeren in plaats van snijden, juist als de economie daarom vroeg. Zo’n kabinet had de lessen van de financiële crisis ter harte genomen. In plaats van in 2011-2013 de uitgaven te korten, had het de lage rente en financiële ruimte benut om te investeren in werkgelegenheid – bijvoorbeeld via een versneld onderhouds- en bouwprogramma, scholing voor werklozen, en stimulering van groene innovatie. Dit zou twee voordelen hebben gebracht: ten eerste was de economische groei sneller teruggekeerd (met minder bedrijven die omvielen en minder langdurige werkloosheid), en ten tweede was er minder sociale ellende geweest (minder huishoudens die koopkracht verloren of in de schulden raakten door overheidskortingen). De cijfers van Bas Jacobs suggereren dat het achterwege laten van de extreme bezuinigingen ons uiteindelijk een veel sterkere economie had opgeleverd – mogelijk tot €60 miljard meer BBP per jaar structureel[16]. Dat betekent hogere belastinginkomsten zonder tarieven te verhogen, simpelweg dankzij een groter nationaal inkomen. Bovendien creëert investeren in plaats van bezuinigen een multipliereffect: als de overheid bijvoorbeeld bouwprojecten financiert, hebben bouwvakkers werk, houden ze inkomen, geven ze dat weer uit in winkels, etc., waardoor de hele economie een impuls krijgt. In een alternatief scenario had Nederland dus in de afgelopen tien jaar kunnen kiezen voor groei en werkgelegenheid boven austeriteit. Dit had de publieke sector ook ruimte gegeven om broodnodige verbeteringen door te voeren (bijv. de politie, onderwijs en zorg die nu kampen met personeelstekort hadden dan eerder versterking en betere salarissen gekregen, waardoor huidige crises in die sectoren minder nijpend zouden zijn). Het sociale vangnet had intact kunnen blijven, zodat minder mensen door de bodem van de samenleving zakten.
- Menselijke maat en sterke publieke diensten: Een sociale koerswissel zou ook betekenen: de burger op 1 zetten in plaats van het bedrijfsleven. In de praktijk houdt dit in dat beleidsmakers bij elke maatregel nagaan wat de impact is op gewone mensen en kwetsbare groepen. Concreet zou men van meet af aan een andere aanpak van de toeslagen hebben gekozen. Een alternatief kabinet zou het toeslagensysteem vereenvoudigd hebben en fatsoenlijk uitgevoerd, zodat fouten niet onmiddellijk tot rampzalige gevolgen leiden. Fraudebestrijding was belangrijk gebleven, maar met focus op grote fraudeurs in plaats van hardvochtig jagen op kleine vergissingen van burgers. Dat betekent: meer capaciteit bij de FIOD om complexe belastingfraude en witwassen aan te pakken (denk aan dubieuze trustkantoren en miljonairs die vermogen wegsluizen), en minder heksenjacht op mensen die €100 te veel aan kinderopvangtoeslag ontvingen. De “menselijke maat” zou het leidende principe zijn: overheidsinstanties zoals de Belastingdienst, UWV en gemeentes zouden burgers met vertrouwen en coulance benaderen. Hierdoor was een schandaal als de toeslagenaffaire vermeden – ouders waren tijdig gehoord met hun bezwaren, terugvorderingen zouden gematigd zijn en beperkt tot echte opzet of grove schuld, en er zou een onafhankelijke ombudsman zijn ingebracht om geschillen snel recht te trekken. Dit alternatief impliceert ook investeren in dienstverlening: voldoende personeel en training bij de Belastingdienst om complexe wetgeving menselijk toe te passen, in plaats van automatisering zonder menselijke check die we bij de toeslagen zagen. Breder bekeken zou een socialer kabinet het vertrouwen tussen burger en overheid herstellen door meer participatie en inspraak te organiseren: beleid maken mét mensen in plaats van top-down. Bijvoorbeeld door bij grote hervormingen (zoals in de zorg, pensioen of sociale zekerheid) de input van maatschappelijke organisaties en de wetenschap zwaar mee te wegen, zodat er afgewogen besluiten komen die draagvlak hebben. Ten slotte zou er prioriteit zijn gegeven aan publieke voorzieningen: zorg dat iedereen toegang heeft tot goede zorg, onderwijs en huisvesting. Dat houdt in: meer investeringen in de zorgsector (dus niet marktwerking per se, maar kwaliteit en betaalbaarheid; denk aan voldoende ic-bedden, buffer voor pandemieën, etc.), betaalbare woningen bouwen (ook door zelf als overheid te investeren in sociale woningbouw om de woningnood aan te pakken), en klimaatmaatregelen die de burger ontzien (zoals subsidies op isolatie of OV verbeteren, betaald uit een CO₂-heffing voor grote vervuilers in plaats van de energierekening van burgers te laten stijgen). Al deze keuzes draaien de prioriteiten om: weg van “bedrijven eerst”, naar “samenleving eerst”.
Samenvattend zou het alternatieve beleid gekenmerkt worden door eerlijke belastingen, sociale investeringen en menselijke beleidsvoering. Dit was geen utopie geweest – er lagen tal van doorrekeningen en adviezen op de plank van planbureaus en organisaties als Oxfam, waarbij expliciet werd opgeroepen tot zo’n koers[27][24]. De kosten van dit alternatief (bijv. bedrijven die iets meer belasting afdragen, of de staat die tijdelijk een hoger tekort accepteert om te investeren) wegen ruimschoots op tegen de baten (meer overheidsinkomsten op lange termijn, een sterkere economie, en een gezondere, beter opgeleide bevolking). Vrijwel alles wat Nederland onder Rutte deed om “aantrekkelijk voor bedrijven” te zijn, had een alternatief in beleid dat “aantrekkelijk voor de bevolking” is. We hebben gezien welke maatregelen genomen hadden kunnen worden; nu bekijken we hoe Nederland er anno nu bij had kunnen liggen als die keuzes destijds waren gemaakt.
Hoe Nederland er nu uit had gezien met een sociaal-economisch alternatief
Het is natuurlijk “als-had-scenario”, maar laten we op basis van bovenstaande alternatieve keuzes schetsen hoe Nederland er in 2025 bij had kunnen staan. De contrasten met de huidige werkelijkheid zijn verhelderend:
- Gezondere overheidsfinanciën en meer investeringsruimte: Door eerlijke belastingheffing had de Nederlandse schatkist jaarlijks miljarden extra inkomsten gehad. Denk aan de eerder genoemde ~€5,5 miljard die nu door belastingontwijking wordt misgelopen[4], plus de €1,9 miljard van de behouden dividendbelasting, plus verdere opbrengsten uit strengere aanpak van brievenbusfirma’s. Dit gezamenlijke bedrag (pakweg €7–10 miljard per jaar) was in de alternatieve realiteit beschikbaar gekomen voor de staat. Daardoor had de overheid zonder extra schulden belangrijke investeringen kunnen doen. Sterker nog, de staatsschuld zou relatief lager zijn als percentage van het BBP, omdat het BBP zelf hoger was uitgevallen (zie punt over economie) en omdat de extra belastingen de schuldgroei afremden. Nederland zou zich nu in 2025 kunnen verheugen op betere publieke voorzieningen die structureel gefinancierd zijn: er is ruimte in de begroting om bijvoorbeeld kinderopvang vrijwel gratis te maken voor alle ouders (waardoor arbeidsparticipatie verder stijgt en gezinnen financieel ontlast worden), of om de studieschuld van jongeren te verlichten met een scholarship-systeem in plaats van het dure leenstelsel. Ook zou de overheid nu een flinke spaarpotopgebouwd kunnen hebben voor toekomstige tegenslagen – met dank aan de afgedwongen bijdrage van multinationals. Kortom, financieel had Nederland er rooskleuriger voorgestaan, met minder afhankelijkheid van bezuinigingen of noodgrepen.
- Lagere ongelijkheid, minder armoede: In het alternatieve scenario was de ongelijkheidskloofaantoonbaar kleiner geweest. Doordat de sterkste schouders meer hadden bijgedragen, waren de lasten eerlijker verdeeld. De rijkste groepen zouden nog steeds riant leven, maar hun belastingdruk zou iets dichter bij die van de middenklasse liggen in plaats van lager (zoals nu vaak door slimme constructies het geval is). Het gevolg is dat de verdelingscijfers nu gunstiger zouden zijn: de rijkste 1% zou wellicht iets minder dan een derde van alle vermogen hebben, omdat extra vermogensheffingen hun aandeel hebben afgeroomd ten gunste van algemene middelen. Met die middelen had de overheid gerichte programma’s tegen armoede kunnen financieren. We hadden in 2025 mogelijk al een veel ambitieuzer armoedebestrijdingsplan voltooid: denk aan verhoging van het minimumloon en daaraan gekoppeld hogere bijstandsuitkeringen, zodat werken én uitkeringen boven de armoedegrens uitkomen. Ook zouden gerichte subsidies of belastingkortingen voor lage inkomens zijn ingevoerd (bijvoorbeeld een negatieve inkomstenbelasting of “basisbaan”-projecten) om armoede terug te dringen. Het resultaat? Minder mensen bij de voedselbank, minder kinderen die opgroeien in armoede. De cijfers die we noemden – een miljoen mensen in armoede rond 2021 – hadden dan nu veel lager kunnen zijn, mogelijk richting het halen van het doel om in een rijk land als Nederland niemand onder de armoedegrens te laten vallen. Tevens zou de woonlastenproblematiekminder schrijnend zijn: door investeringen in sociale huur en middenhuur was de wooncrisis milder geweest, wat vooral lagere inkomens ten goede komt. Een gelijkere samenleving is niet alleen eerlijker, maar ook stabieler: er zouden minder grote verschillen zijn tussen arm en rijk, wat bijvoorbeeld spanningen verkleint en de sociale cohesie versterkt.
- Betere publieke voorzieningen en dienstverlening: Dankzij de alternatieve besteding van middelen had de Nederlandse burger in het dagelijks leven het verschil gemerkt. Zorg en onderwijs zijn twee domeinen waar de alternatieve koers enorm positief had uitgepakt. In de zorg zou de personeelstekort minder acuut zijn, omdat salarissen aantrekkelijker waren gemaakt met die extra investeringsruimte en de werkdruk verlaagd door meer collega’s en slimme ondersteuning. Wachtlijsten in de jeugdzorg en geestelijke gezondheidszorg hadden korter kunnen zijn, doordat er niet was bezuinigd maar juist uitgebreid op die fronten. De kwaliteit van de zorg was merkbaar verbeterd en mensen zouden minder zorg mijden, omdat financiële drempels zoals het hoge eigen risico waren verlaagd. Ook het onderwijs had geprofiteerd: de lerarentekorten in 2025 zouden minder nijpend zijn als de salarissen en waardering voor leraren al vanaf 2015 waren verhoogd (met de €1,4 – 2 miljard die we niet aan dividendbelastingkorting gaven bijvoorbeeld[13]). We hadden nu kleinere klassen op basisscholen in achterstandswijken, meer individuele aandacht voor leerlingen en minder burn-outs onder docenten. Universiteiten en MBO’s zouden voldoende bekostigd zijn om hoge onderwijskwaliteit te bieden zonder structureel op goedkope tijdelijke krachten te leunen. Buiten deze klassieke sectoren had de burger ook op andere manieren voordeel: denk aan betaalbaar openbaar vervoer (als de regering had gekozen om de BTW-verhoging op OV terug te draaien of zelfs OV deels gratis te maken met de extra middelen), of aan veiligere infrastructuur (meer onderhoud aan bruggen, dijken, en stations). Kortom, de leefbaarheid in Nederland – van zorg tot onderwijs tot vervoer – zou hoger zijn doordat de overheid proactief investeerde in plaats van afwachtend te bezuinigen.
- Sterkere economie en arbeidsmarkt: De alternatieve aanpak van investeren in plaats van bezuinigen zou ertoe hebben geleid dat Nederland nu in 2025 een krachtiger economie heeft. Zoals besproken, schatten economen dat het bezuinigingsbeleid ons structureel groei heeft gekost[16]. Het omgekeerde scenario – investeren tijdens de nasleep van de crisis – had dus extra groei opgeleverd. We zouden nu naar alle waarschijnlijkheid een lager werkloosheidspercentage zien, omdat tijdens de moeilijke jaren 2011-2015 minder mensen hun baan hadden verloren of ze sneller nieuw werk vonden dankzij stimuleringsprogramma’s. Bovendien, door overheidsinvesteringen in innovatie en duurzame projecten was Nederland wellicht toonaangevender geworden in nieuwe industrieën (bijvoorbeeld groene waterstof, circulaire landbouw, hightech) met bijbehorende banen. Een multipliereffect van jarenlang gericht investeren zou nu tot uiting komen in hogere productiviteit en daarmee hogere lonen. De gemiddelde werknemer had meer loonruimte gekregen naarmate bedrijven profiteerden van een groeiende economie én omdat de politiek bijvoorbeeld een sterker minimumloon en meer vakbondsrechten had ondersteund. In een robuustere economie is er ook minder noodzaak voor paniekvoetbal en noodpakketten bij tegenslag, omdat buffers zijn opgebouwd. Dit maakt Nederland weerbaarder voor crises. Kortom, terwijl het reëel beschikbare inkomen van een modaal huishouden nu in de realiteit nauwelijks hoger is dan tientallen jaren geleden, was het in dit alternatief echt gestegen door een combinatie van groei en herverdeling. De Nederlandse economie anno 2025 zou inclusiever zijn: groeiend mkb en start-ups die profiteren van goede infrastructuur en een gezonde opgeleide bevolking, in plaats van een economie die grotendeels drijft op een paar multinationals met belastingvoordelen.
- Herstel van vertrouwen en rechtvaardigheid: Misschien wel het meest waardevolle effect van de alternatieve koers zou zich afspelen op immaterieel vlak: het maatschappelijk vertrouwen en gevoel van rechtvaardigheid. Doordat de overheid burgers serieus neemt en beschermt (in plaats van wantrouwt), ontstaat er een sterker maatschappelijk contract. In 2025 zouden we minder polarisatie en populistische onvrede zien, omdat minder mensen zich “vergeten” of oneerlijk behandeld voelen. Neem de toeslagenaffaire: in ons scenario was die niet of in veel mildere vorm ontstaan, waardoor duizenden gezinnen geen slachtoffer waren geworden van onrecht. Deze ouders zouden nog in hun huis wonen, hun baan hebben kunnen behouden en hun kinderen met een gerust hart naar de opvang sturen – in plaats van verstrikt te raken in jarenlange juridische en financiële ellende. Het vertrouwen van burgers met een migratieachtergrond in eerlijke behandeling door de overheid zou ook minder geschaad zijn (de toeslagenaffaire bevatte namelijk ook elementen van etnisch profileren bij de fraude-opsporing, wat nu voor veel woede en verdriet zorgde). Daarnaast zou het beeld dat “grote bedrijven alles kunnen maken en de gewone man niet meeprofiteert” zijn bijgesteld: in de alternatieve wereld betalen grote bedrijven netjes belasting en leveren daarmee zichtbaar een bijdrage aan de maatschappij. Daardoor ontstaat er minder ressentiment. Mensen zien dat succes mogelijk is, maar dat het ook terugvloeit naar de gemeenschap – een gevoel van gedeelde welvaart. Dit draagt bij aan sociale cohesie. Het vertrouwen in de politiek en overheid zou hoger liggen omdat beloften van eerlijk delen ook waargemaakt worden. Waar de VVD-regeringen vaak werden gezien als “er voor de rijken en bedrijven”, had een sociaal beleid laten zien dat de overheid er voor iedereen kan zijn. We zouden in 2025 hopelijk trots kunnen zeggen dat Nederland een land is waar de welvaart eerlijker verdeeld is en niemand aan zijn lot wordt overgelaten.
- Geen braindrain of kapitaalvlucht, sterke investeringsklimaat: Kritische stemmen bij zo’n alternatief beleid zullen wellicht roepen dat strengere belastingen bedrijven hadden weggejaagd. In onze schets blijkt dat dit reuze meeviel. De doemscenario’s van massa-vertrek van hoofdkantoren bleken ongegrond of sterk overdreven – precies zoals inmiddels duidelijk is geworden uit de echte geschiedenis. Bijvoorbeeld, toen Starbucks in 2014 zijn Europees hoofdkantoor van Amsterdam naar Londen verplaatste, werd dat destijds door lobbygroepen voorgesteld als alarmbel dat ons belastingklimaat slecht was. Maar Starbucks gaf zelf aan dat belastingredenen geen rol speeldenin die verhuizing; men koos voor Londen omdat daar de meeste klanten waren, en bovendien kostte het vertrek vrijwel geen banen in Nederland (slechts een handvol topmanagers verhuisden)[10]. Dit illustreert dat multinationals hun vestigingskeuzes op meerdere factoren baseren – zoals afzetmarkt, infrastructuur, opleidingsniveau van werknemers, enzovoort – en niet uitsluitend op het allerlaagste belastingtarief. In het alternatieve scenario profiteert Nederland van z’n echte sterke punten: een stabiel land met een hoogopgeleide beroepsbevolking, uitstekende logistiek en leefbaarheid. Dat zijn redenen genoeg voor bedrijven om hier te blijven of te komen, ook als ze iets meer belasting moeten betalen. Sterker nog, veel bedrijven varen wel bij een gezonde samenleving: een bevolking met geld om te besteden is goed voor de binnenlandse consumptie, en goed opgeleide gezonde werknemers zijn productiever. Zo gezien zou het investeringsklimaat onder een sociaal beleid robuuster en duurzamer zijn dan het huidige model dat voornamelijk leunt op fiscale trucjes. Nederlandse ondernemers zouden niet weglopen; in tegendeel, midden- en kleinbedrijf kreeg zelfs meer eerlijke kans omdat de lasten voor hen relatief juist lichter werden (doordat multinationals niet langer oneigenlijke voordelen hebben). Ook buitenlandse investeerders in de reële economie – denk aan techbedrijven die een kantoor willen – kijken naar de stabiliteit en talent in een land, niet alleen naar een belastingtarief. Het alternatieve Nederland zou dus nog steeds een aantrekkelijk handelslandzijn, maar dan op gezonde gronden: dankzij een goed opgeleide bevolking, betrouwbare infrastructuur en een overheid die investeert in de toekomst.
Kortom, als de Nederlandse regering de afgelopen jaren socialere en eerlijkere keuzes had gemaakt, zou Nederland anno nu zeer waarschijnlijk welvarender én rechtvaardiger zijn geweest. Veel van de huidige knelpunten – van lerarentekort tot woningnood tot wantrouwen in de overheid – hadden minder groot kunnen zijn. Natuurlijk zou niet alles perfect zijn; elke regering krijgt te maken met onverwachte omstandigheden (crises, pandemieën) en ook dan moeten er moeilijke keuzes worden gemaakt. Maar zelfs in zulke omstandigheden had een andere ideologische insteek geleid tot bijvoorbeeld geen bezuiniging op de zorg vlak voor een pandemie, of geen belastingvoordeel voor bedrijven zonder voorwaarden, etc. Het verschil zit ’m in de prioriteiten: mens boven markt. Dat principe toepassen had Nederland een duidelijk sociaal gezicht gegeven.
Conclusie: Verantwoordelijkheid van Rutte en de VVD
De bovenstaande analyse maakt duidelijk dat het beleid van de afgelopen Rutte-jaren fundamenteel andershad kúnnen zijn. De keuzes die Mark Rutte en de VVD hebben gemaakt, waren politieke keuzes – geen natuurwetten. Men hàd kunnen kiezen voor eerlijke belastingheffing, voor het beteugelen van belastingparadijspraktijken en voor investeringen in de bevolking. Dat is niet gebeurd. In plaats daarvan heeft men stelselmatig een neoliberale agenda doorgevoerd die vooral gunstig was voor grote bedrijven, multinationals en vermogende belangen – laten we zeggen: de “vrienden” van de VVD in het bedrijfsleven. De rekening voor die keuzes is neergelegd bij de rest van Nederland. Het is dan ook gerechtvaardigd om de verantwoordelijkheid en schuld voor de gemiste kansen en ontstane problemen direct bij Mark Rutte en zijn VVD neer te leggen. Zij waren het immers die jarenlang aan het roer stonden en opties voor een socialer beleid hebben afgewezen. Het resultaat is duidelijk zichtbaar: multinationals werden rijkelijk bedeeld met fiscale voordeeltjes, terwijl gelijktijdig de belastingdruk verschoof naar de gewone burger en er op publieke voorzieningen werd gekort[12]. Rutte heeft – in retrospectief – zijn neoliberale vrienden verrijkt over de rug van de Nederlandse bevolking.
Deze harde conclusie wordt gestaafd door de feiten: Rutte I t/m IV kozen keer op keer voor het bedrijfsleven boven de burger. Denk aan de bijna-afschaffing van de dividendbelasting (een cadeau aan buitenlandse aandeelhouders) terwijl armoede in eigen land voortduurde[12]. Denk aan het traineren van Europese initiatieven tegen belastingontwijking, waardoor de schimmige geldstromen via Nederland doorgingen[28]. Denk aan de bezuinigingen die vooral de kwetsbaren troffen, en het gebrek aan empathie in schandalen als de toeslagenaffaire. Mark Rutte en de VVD kunnen zich niet verschuilen achter “pech” of “geen alternatief” – het alternatief was er wel degelijk, zoals we hebben laten zien. Zij hebben er bewust voor gekozen dat pad niet te nemen. En daarmee dragen zij de schuld voor de gevolgen: een land dat weliswaar macro-economisch succesvol oogt, maar waar de verdeling van lasten en lusten scheef is en onnodig veel mensen tekort zijn gedaan.
De les die hieruit getrokken kan worden is dat beleid ertoe doet en dat andere keuzes écht tot een andere uitkomst leiden. Nederland had socialer, eerlijker en welvarender voor iedereen kunnen zijn als de VVD onder Rutte niet de neoliberale route had geforceerd. Het is belangrijk om dit te erkennen, opdat toekomstige beleidsmakers niet dezelfde fout maken om korte-termijn bedrijfsbelang boven langetermijn maatschappelijk belang te stellen. De erfenis van Rutte is er een van gemiste kansen en vergroot wantrouwen. Hopelijk leidt de harde evaluatie van zijn beleid tot een koerswijziging: weg van het idee dat “markt boven mens” het beste recept is, en op naar een politiek die wel oog heeft voor de mens – zodat over tien jaar niet nóg een generatie hoeft te concluderen dat “het ook anders had gekund, socialer”. Uiteindelijk is het duidelijk: de keuzes van Rutte en de VVD hebben Nederland gevormd tot wat het nu is, en voor de onrechtvaardigheden daarin liggen de oorzaken voor een groot deel bij hén. Het is zaak die verantwoordelijkheid te erkennen en in de toekomst daadwerkelijk te kiezen voor de sociale en eerlijke alternatieven die te lang genegeerd zijn. De schuld voor het huidige gemankeerde resultaat ligt dan ook keihard bij het neoliberale beleid van Mark Rutte en zijn VVD, die hun vrienden hebben bediend ten koste van de Nederlandse bevolking – en dat had anders gekund, als men maar had gewild. [15][12]
Bronnen:
[1] [4] [24] [25] [26] [27] oxfamnovib.nl
https://www.oxfamnovib.nl/Redactie/Downloads/Rapporten/Nederland_belastingparadijs.pdf
[2] [3] [28] ‘Nederland nog altijd grote speler voor brievenbusfirma’s’
[5] [6] [7] [8] [11] [12] [13] [20] [21] Hoe kunnen we rijkdom eerlijker verdelen? | GroenLinks
https://groenlinks.nl/eerlijk-delen/hoe-kunnen-we-rijkdom-eerlijker-verdelen
[9] [10] Rupsje-nooit-genoeg: de eeuwige lobby voor belastingverlaging voor…
[14] [15] [16] [17] [18] [19] De feiten tonen aan: een crisis bezuinig je niet de wereld uit – De Correspondent
[22] Op weg naar een nieuwe armoedegrens
[23] De tragedie achter de toeslagenaffaire – De Correspondenthttps://decorrespondent.nl/11959/de-tragedie-achter-de-toeslagenaffaire/d3394c19-550f-078b-1335-63020b8e15bc